FAQ valpreventie

Hoe kan men in het ziekenhuis screenen voor oudere patiënten met een hoog valrisico?

Screenen van het valrisico in het ziekenhuis (voorspellen van wie er wel en niet zal vallen tijdens de opnameperiode in het ziekenhuis) is bijzonder moeilijk. In de meest recente literatuuroverzichten en internationale richtlijnen wordt geen enkel van de screeningsinstrumenten aanbevolen omdat ze niet sensitief en specifiek genoeg zijn (1-5).

Onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat de STRATIFY bij oudere gehospitaliseerde patiënten een matige tot zwakke sensitiviteit kent en daarnaast een hoog aandeel van vals-negatieve resultaten (6, 7). Hetzelfde geldt voor andere screeningsinstrumenten die onvoldoende sensitief en specifiek zijn (e.g. Morse Fall Scale, Hendrich Fall Risk Model I & II, Conley scale, etc.) (1, 3, 4, 8).

Tot op heden bestaat er dus geen goed screeningsinstrument om bij opname van een oudere patiënt in het ziekenhuis een verhoogd valrisico te identificeren. Dit doet ons besluiten dat het momenteel géén zin heeft om de beperkte middelen en personeel te gebruiken om patiënten te gaan screenen op een verhoogd valrisico. De Nice guidelines bevelen aan om alle 65-plussers opgenomen in het ziekenhuis als hoog risico in te schatten. Volgens hen is het dus best om niet te screenen en meteen een multifactoriële evaluatie ter identificatie van eventuele valrisicofactoren uit te voeren bij gehospitaliseerde oudere patiënten. Een multifactoriële evaluatie heeft tot doel een gedetailleerde en systematische evaluatie uit te voeren van de valgeschiedenis en de meest voorkomende en wijzigbare valrisicofactoren. Deze evaluatie dient bij voorkeur interdisciplinair te gebeuren. Aansluitend is het belangrijk om bij de aanwezige valrisicofactoren meteen interventies in te plannen en hiervoor een opvolgmoment in te plannen (5).

Het Belgisch College van Geneesheren voor de Dienst geriatrie adviseert in hun richtlijn om het risico bij opname alsnog te bepalen op basis van een tweetal criteria (lees hier meer over screenen in het ziekenhuis):

 De persoon is een risicopatiënt indien:

  • Hij/zij in het ziekenhuis opgenomen is omwille van een val, gevallen is in de afgelopen 6 maanden of gevallen tijdens de hospitalisatie.

OF

  • De gezondheidswerkers oordelen dat hij/zij een verhoogd valrisico heeft.

Let wel op: De richtlijn van het Belgisch College van Geneesheren voor de Dienst geriatrie is echter ouder dan de recentere Nice guidelines (9).

Referenties

1. Meyer G, Möhler R, Köpke S. Reducing waste in evaluation studies on fall risk assessment tools for older people. J Clin Epidemiol. 2018;102:139-43.

2. Haines TP, Hill K, Walsh W, Osborne R. Design-related bias in hospital fall risk screening tool predictive accuracy evaluations: systematic review and meta-analysis. The journals of gerontology Series A, Biological sciences and medical sciences. 2007;62(6):664-72.

3. Matarese M, Ivziku D, Bartolozzi F, Piredda M, De Marinis MG. Systematic review of fall risk screening tools for older patients in acute hospitals. J Adv Nurs. 2015;71(6):1198-209.

4. Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie. Richtlijn Preventie van valincidenten bij ouderen. 2017.

5. Centre for Clinical Practice at N. Falls: assessment and prevention of falls in older people. Clinical guideline. 2013.

6. Milisen K, Staelens N, Schwendimann R, De Paepe L, Verhaeghe J, Braes T, et al. Fall Prediction in Inpatients by Bedside Nurses Using the St. Thomas's Risk Assessment Tool in Falling Elderly Inpatients (STRATIFY) Instrument: A Multicenter Study. Journal of the American Geriatrics Society. 2007;55(5):725-33. 

7. Oliver D, Papaioannou A, Giangregorio L, Thabane L, Reizgys K, Foster G. A systematic review and meta-analysis of studies using the STRATIFY tool for prediction of falls in hospital patients: how well does it work? Age and Ageing. 2008;37(6):621-7.

8. Aranda-Gallardo M, Morales-Asencio JM, Canca-Sanchez JC, Barrero-Sojo S, Perez-Jimenez C, Morales-Fernandez A, et al. Instruments for assessing the risk of falls in acute hospitalized patients: a systematic review and meta-analysis. BMC health services research. 2013;13:122-.

9. Milisen K, Lambert M, Van Den Noortgate N, Baeyens JP, Boonen S, Coolens P, et al. Valpreventie bij geriatrische patiënten opgenomen in het ziekenhuis. Leuven : Acco; 2009.

 

Is het gebruik van antislip sokken aan te raden?

Eerst en vooral willen we benadrukken dat stevige schoenen met een volledige omsluiting steeds de voorkeur genieten in het kader van valpreventie. Antislip sokken zijn enkel te overwegen als tijdelijke oplossing in afwachting van gesloten schoenen (bijvoorbeeld bij een acute ziekenhuisopname waarbij nog geen veilig schoeisel aanwezig is). Een belangrijk nadeel van antislip sokken is dat ze de voet niet vast omsluiten. Daarnaast is het afrollen van de voet bij het stappen bij ouderen soms beperkt. De oudere persoon zou dan meer kunnen gaan slepen met de voeten, waarbij de antislip van de sok op zich het valrisico kan verhogen. Verder is er een groot kwaliteitsverschil tussen de aangeboden sokken, waarbij sommigen voor een zekere stroefheid tussen sok en ondergrond zorgen. Dit kan een onterecht gevoel van veiligheid geven. Foutief gebruik van de antislip sok (bijvoorbeeld binnenstebuiten aantrekken) en een onvoldoende therapietrouw kunnen het effect eveneens negatief beïnvloeden. Indien het aantrekken van degelijk schoeisel een probleem vormt, kunnen hulpmiddelen en aanpassingen in het aantrekken van schoenen een oplossing bieden. Tot slot is het belangrijk te vermelden dat over antislip sokken weinig evidentie in de huidige wetenschappelijke literatuur aanwezig is. De schaarse evidentie over een al dan niet positief effect op het aantal valincidenten is niet eenduidig en de uitgevoerde studies lijden vaak onder belangrijke methodologische beperkingen.

Zijn heupbeschermers aan te raden in het kader van valpreventie?

Een val heeft tal van psychosociale, economische en fysieke gevolgen, zoals bijvoorbeeld valangst, kneuzingen en heupfracturen. Afhankelijk van de woonplaats (thuis of in het woonzorgcentrum), leidt ongeveer 1 tot 5% van alle vallen tot een heupfractuur. De gezondheidskosten die gepaard gaan met een heupfractuur worden in België geschat op gemiddeld €11.500 per persoon (1). Omdat niet alle valincidenten te voorkomen zijn, dient er ook ingezet te worden op fractuurpreventie. Een voorbeeld van fractuurpreventie is een heupbeschermer.

Een heupbeschermer is een soort schelp die kan worden aangebracht in speciaal daarvoor ontwikkelde kleding of ondergoed of schelpen die in de gewone kledij kunnen worden geplaatst. Het doel van deze bescherming is de energetische impact van een direct trauma op de heup te verminderen. 
Deze beschermers kunnen worden opgedeeld in zachte en harde schelpen of kussens. De zachte varianten vangen de lokaal ontwikkelde energie op die vrijkomt bij een val. De harde varianten verspreiden de energie naar de omliggende spieren en weke weefsels, weg van het dijbeen (2). Als de heupbeschermer gedragen wordt op het moment van een val, kunnen specifieke heupbeschermers het risico op een fractuur tot 80% reduceren (3–6). 

Een belangrijke voorwaarde voor het gebruik van een heupbeschermer is therapietrouw (6–8). Daarom kan het dragen van een heupbeschermer enkel worden overwogen bij ouderen waar een goede garantie is op het dragen van de heupbeschermer. 
Therapieontrouw is bij ouderen vaak een groot probleem, omdat bijvoorbeeld de oudere niet gelooft in de effectiviteit van heupbeschermers, de extra moeite of tijd die nodig is om heupbeschermers aan te doen en te dragen, de aanwezigheid van urinaire incontinentie of ongemak als de heupbeschermer niet goed zit of omwille van fysieke problemen ten gevolge van musculoskeletale aandoeningen (7,8). Wanneer de heupbeschermers verkeerd geplaatst worden kunnen zij zorgen voor irritatie en een verhoogde druk op de grote trochanter.  
Ook zorgverleners ervaren barrières voor het gebruik van heupbeschermers. Een hoge werklast, gebrek aan communicatie en documentatie; en een negatieve attitude ten aanzien van heupbeschermers hebben een invloed op het gebruik van heupbeschermers (7). 
Een betere therapietrouw werd vastgesteld bij bewoners in het woonzorgcentrum met een hogere graad van afhankelijkheid en cognitieve achteruitgang. In vergelijking met zelfstandige bewoners in het woonzorgcentrum of thuiswonende ouderen kan de therapietrouw bij deze groep van afhankelijke bewoners immers beter door het personeel gewaarborgd worden (4). 

Het gebruik van heupbeschermers is dus enkel aan te bevelen bij ouderen met een hoog val- en fractuurrisico; en waarbij een goede therapietrouw gewaarborgd kan worden. Er dient steeds voldoende aandacht te gaan naar het comfortabel en veilig gebruik van de heupbeschermer. Let zeker op voor: pijn door druk van randen van de schelpen, doorligwonden, irritatie van de huid, juiste positie van de schelpen ter hoogte van de grote trochanter en de kostprijs van de heupbeschermer. Naast het gebruik van heupschermers dienen ook het belang van de klassieke valpreventie maatregelen en het eventueel opstarten van osteoporose medicatie met de patiënt besproken te worden.

Literatuurlijst
1. Svedbom A, Hernlund E, Ivergård M, Compston J. Osteoporosis in the European Union : a compendium of country-specific reports. Arch Osteoporos. 2013;8(137). 
2. Laing AC, Robinovitch SN. The Force Attenuation Provided by Hip Protectors Depends on Impact Velocity , Pelvic Size , and Soft Tissue Stiffness. J Biomech Eng. 2018;130(December 2008):1–9. 
3. Kannus P, Parkkari J, Niemi S, Pasanen M, Palvanen M, Järvinen M, et al. Prevention of hip fracture in elderly people with use of a hip protector. N Engl J Med. 2000;343(21):1506–13. 
4. Bentzen H, Bergland A, Forse L. Risk of hip fractures in soft protected , hard protected , and unprotected falls. Inj Prev. 2008;14:306–10. 
5. Forsén L, Sogaard AJ, Sadvig S, Schuller A, Roed U, Arstad C. Risk of hip fracture in protected and unprotected falls in nursing homes in Norway. Inj Prev. 2004;10:16–20. 
6. Santesso N, Carrasco-Labra A, Brignardello-Petersen R. Hip protectors for preventing hip fractures in older people ( Review ). Cochrane Database Syst Rev. 2014;(3). 
7. Korall AMB, Feldman F, Dcott V, Wasdell M, Gillan R, Ross D, et al. Facilitators of and Barriers to Hip Protector Acceptance and Adherence in Long-term Care Facilities: A Systematic Review. J Post-Acute Long-Term Care Med. 2015;16(3):185–93. 
8. Milisen K, Coussement J, Boonen S, Geeraerts A, Druyts L. International Journal of Nursing Studies Nursing staff attitudes of hip protector use in long-term care , and differences in characteristics between adherent and non-adherent residents : A survey and observational study. Int J Nurs Stud [Internet]. 2011;48(2):193–203. Available from: http://dx.doi.org/10.1016/j.ijnurstu.2010.07.008

Is het gebruik van fysieke fixatie een methode voor valpreventie?

Het toepassen van fysieke fixatie is een complex probleem. Wereldwijd varieert het voorkomen van fysieke fixatie in WZC van 4 tot 85% (1). Eveneens in de thuiszorg is dit een gekend probleem. Een recente systematische review concludeert dat het voorkomen van fysieke fixatie in de thuiszorg varieert tussen 5% en 24,7% (2).

De preventie van een val is één van de meest vermelde redenen voor het gebruik van fysieke fixatie. Uit de literatuur blijkt echter dat fixatie geen efficiënt middel is ter preventie van valincidenten. Daarenboven zijn er negatieve gevolgen zowel op fysiek (bv. risico’s verbonden aan immobilisatie door langdurige en/of inadequate fixatie zoals verminderde spierkracht en ongemak, huidletsels, longontsteking en ademhalingsproblemen, incontinentie, constipatie en overlijden) als psychisch vlak (bv. toegenomen onrust en agressiviteit, toenemende verwardheid, sociale isolatie, afhankelijkheid, apathie en inbreuk op de autonomie van de bewoner) (3–5). De meest voorkomende vorm van fysieke fixatie in bed zijn bedhekken. Deze worden voornamelijk gebruikt om te voorkomen dat ouderen uit bed komen zonder begeleiding (6). Het gebruik van fysieke fixatie als interventie voor valpreventie wordt sterk afgeraden.

Fysieke fixatie dient steeds een middel te zijn van de laatste keuze. Enkel als de veiligheid van de patiënt (of andere patiënten) op geen enkele andere manier kan gewaarborgd worden, alsook wanneer in levensbedreigende situaties het goede verloop van een behandeling in het gedrang komt, is (tijdelijke) fixatie een aanvaardbare ‘minst slechte’ oplossing. In situaties waar je fixatiemaatregelen toepast, dien je voor veilige maatregelen te kiezen, aangepast aan de ernst van de toestand. Pas deze zorgvuldig, correct en zo kort mogelijk toe (evalueer de noodzaak tot fixatie regelmatig), verhoog het toezicht en controleer vitale parameters alsook bloeddoorstroming ter hoogte van de fixatie, zorg voor maximaal fysiek en psycho-sociaal comfort voor de patiënt en registreer en rapporteer in het patiëntendossier (3).

Tips voor de praktijk:

Referenties:

1.      Gastmans C, Milisen K. Use of physical restraint in nursing homes: clinical-ethical considerations. J Med Ethics. 2006;(32):148–52.

2.      Scheepmans K, Dierckx de Casterlé B, Paquay L, Milisen K. Restraint use in older adults in home care: A systematic review. Int J Nurs Stud [Internet]. 2018;79(November 2017):122–36. Available from: https://doi.org/10.1016/j.ijnurstu.2017.11.008

3.      Scheepmans K, Dierckx de Casterlé B, Paquay L, Van Gansbeke H, Milisen K. Streven naar een fixatiearme thuiszorg: Praktijkrichtlijn. First. Leuven: Acco; 2016.

4.      Evans D, Wood J, Lambert L. Patient injury and physical restraint devices: a systematic review. J Adv Nurs. 2003;(41):274–82.

5.      Hofmann H, Hahn S. Characteristics of nursing home residents and physical restraint : a systematic literature review. J Clin Nurs. 2013;23:3012–24.

6.      Scheepmans K, Dierckx de Casterlé B, Paquay L, Van Gansbeke H, Milisen K. Restraint Use in Older Adults Receiving Home Care. J Am Geriatr Soc. 2017;65(8):1769–76.

Welke praktijkrichtlijnen zijn er beschikbaar over valpreventie?

Is de praktijkrichtlijn ‘Valpreventie bij thuiswonende ouderen in Vlaanderen’ en ‘Valpreventie in Woonzorgcentra, Praktijkrichtlijn voor Vlaanderen’ ook toepasbaar op ouderen met cognitieve stoornissen/dementie?

De effectiviteit van een multifactoriële valevaluatie en -interventie is enkel aangetoond bij cognitief intacte ouderen. Voor ouderen met cognitieve stoornissen en dementie is er tot op heden onvoldoende onderzoek verricht naar de effectiviteit van valpreventiestrategieën. Er zijn dus geen argumenten om voor of tegen deze aanpak te adviseren. Naast de mentale status op zich komen de meeste risicofactoren bij ouderen met cognitieve achteruitgang en dementie overeen met de risicofactoren bij ouderen die cognitief intact zijn. Om die reden adviseren we om bij de groep met cognitieve stoornissen deze praktijkrichtlijnen - daar waar mogelijk en op basis van het klinisch oordeel - toe te passen.
Wilt u graag meer te weten komen over dementie in het algemeen, neem dan eens kijkje op www.dementie.be.

Welke kwaliteitsindicatoren zijn er in Vlaanderen voorhanden in het kader van valproblematiek bij ouderen?

Vlaamse woonzorgcentra zijn verplicht om indicatoren over de kwaliteit van zorg en veiligheid twee maal per jaar door te geven aan Zorg en Gezondheid (Vlaams indicatorenproject voor woonzorcentra: VIP WZC). Ook valpreventie maakt onderdeel uit van deze indicatoren. Zo moet binnen de woonzorgcentra “het percentage bewoners met één of meer valincident(en) in de afgelopen maand” en “het percentage met twee of meer valincidenten in de afgelopen maand” opgevolgd en doorgegeven worden.

Binnen de thuissetting geeft de vijfjaarlijkse nationale Gezondheidsenquête (Health Interview Survey – HIS, 2013), uitgevoerd door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV), een overzicht van parameters die interessant zijn in het kader van valincidenten en valpreventie bij thuiswonende ouderen. Verder hebben sommige thuiszorgorganisaties hun eigen intern registratiesysteem om valincidenten op te volgen.

Voor ziekenhuizen zijn er eveneens vooropgestelde kwaliteitsindicatoren voorhanden. ‘Valincidenten’ maken hier echter geen deel van uit. De meeste ziekenhuizen beschikken daarentegen over een intern registratiesysteem om gegevens in het kader van valpreventie op te volgen. In de literatuur wordt het aantal valincidenten in ziekenhuizen meestal uitgedrukt in aantal valincidenten per 1000 ligdagen of het aantal valincidenten per bed per jaar, gecorrigeerd voor de bezettingsgraad. Op die manier kan het aantal valincidenten gestandardiseerd worden.

Tot slot kan door de registratie van de Medische Gegevens van de Minimale Ziekenhuisgegevens (MG-MZG) bij ontslag van een patiënt gebruik worden gemaakt van bepaalde items die gecodeerd worden aan de hand van de ICD-10-BE (classificatiesyteem om aan pathologie gerelateerde data systematisch te delen, te bewaren en te bevragen). Het registreren van letsels maakt hier onderdeel van uit. Aangezien valincidenten vaak gepaard gaan met letsels, meer bepaald met fracturen, kan deze registratie als indirecte indicator gebruikt worden.

Ongeacht de setting is interpretatie binnen de juiste context en nodige nuancering van deze indicatoren/parameters noodzakelijk.

keyboard_arrow_up

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

FAQ

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x