FAQ valpreventie
Wordt in het kader van valpreventie een vitamine D- en calciumsupplement aanbevolen voor alle oudere personen die verblijven in een woonzorgcentrum?
Zowel de Vlaamse richtlijn Valpreventie in Woonzorgcentra, de World Falls Guidelines als de review van de Belgian Bone Club bevelen aan om aandacht te besteden aan een optimale voeding, met voldoende calcium en eiwitrijke producten, gecombineerd met vitamine D suppletie als onderdeel van een multifactoriële aanpak van val- en fractuurpreventie (Vlaeyen, et al., 2025; Montero-Odasso, et al. ,2022; Gielen, et al., 2017). Aangezien oudere personen die verblijven in een woonzorgcentrum tot de risicogroep behoren voor een vitamine D deficiëntie, is een serumbepaling van 25-hydroyxvitamine D niet noodzakelijk en dient systematisch een vitamine D supplement, in combinatie met voldoende calcium (tenminste 1000 mg per dag), gestart te worden (Vlaeyen, et al., 2025).
Een recente Cochrane review van Dyer, et al. (2025) toont aan dat een voedingsinterventie waarbij de inname van zuivelproducten (en dus calcium en eiwitten) wordt verhoogd, mogelijk het risico op vallen en fracturen kan verminderen. De bewijskracht hiervoor is momenteel nog beperkt en de auteurs benadrukken dat verder onderzoek noodzakelijk is (Dyer, et al., 2025).
Ook het consensusdocument met bijzondere aandachtpunten voor fractuurpreventie bij oudere personen met een verhoogd valrisico van het Expertisecentrum Val- en fractuurpreventie adviseert om bij personen met een hoog of zeer hoog fractuurrisico die een farmacologische behandeling voor osteoporose ondergaan, systematisch vitamine D te combineren met een voldoende calciuminname (minstens 1000 mg per dag). Deze combinatie ondersteunt de behandeling en draagt bij aan het verminderen van het risico op fracturen (Gielen, et al., 2025).
Deze tabel geeft een duidelijk overzicht van welke voedingsmiddelen calcium bevatten en kan als hulpmiddel worden gebruikt.
Welke vorm van calciumsupplement wordt het best opgenomen?
De Belgian Bone Club beschrijft dat calcium bij voorkeur via de voeding wordt ingenomen, waarbij melk- en zuivelproducten de belangrijkste bron vormen. Wanneer de dagelijkse aanbevolen hoeveelheid niet via de voeding kan worden bereikt, kunnen calciumsupplementen worden opgestart (Gielen, et al., 2017).
Welke vorm van calciumsuppletie het meest geschikt is, hangt af van de individuele situatie. Zo spelen onder andere volgende zaken een belangrijke rol in de opname van calcium:
- het type calciumpreparaat (bijvoorbeeld calciumcarbonaat of calciumcitraat)
- de maagzuurproductie
- eventuele medicatie (zoals maagzuurremmers)
- de aanwezigheid van voldoende vitamine D
Bij oudere personen is de productie van maagzuur vaak verminderd. Daarnaast gebruiken veel oudere personen maagzuurremmers. Omdat calciumcarbonaat voor een goede opname afhankelijk is van voldoende maagzuur, kan in deze situaties calciumcitraat de voorkeur genieten. De opname van calciumcitraat is namelijk minder afhankelijk van de hoeveelheid maagzuur.
Het is belangrijk om te weten dat de hoeveelheid elementair calcium verschilt naargelang de vorm van het supplement. Zo komt 1000 mg elementair calcium overeen met ongeveer 2500 mg calciumcarbonaat of ongeveer 4750 mg calciumcitraat.
In België zijn verschillende commerciële preparaten beschikbaar die oplossen in water (bruistabletten of poeder). Producten die volgens de verpakking 1000 mg calcium bevatten (bijvoorbeeld D-Vital Forte 1000/880 Bruis en Cacit 1000 mg Bruis, met of zonder vitamine D) leveren voldoende calcium onder de vorm van calciumcitraat.
Welke vorm van calciumsupplement het meest geschikt is, hangt af van de individuele situatie. We raden aan om de keuze van een supplement steeds individueel met de behandelende arts te bespreken.
Hoe weet je dat calcium in het bot terechtkomt en niet in de bloedvaten?
Calcium wordt in het lichaam zeer nauwkeurig gereguleerd. Vitamine D verhoogt de opname van calcium uit de darm, terwijl verschillende hormonen ervoor zorgen dat de calciumconcentratie in het bloed binnen nauwe grenzen blijft (Van driel, et al., 2023). Wanneer iemand voldoende calcium, vitamine D en voldoende lichaamsbeweging heeft, wordt calcium gebruikt voor de opbouw en het behoud van het bot (Gielen, et al., 2017).
In het verleden zijn studies verschenen die suggereerden dat calciumsupplementen mogelijk het risico op hart- en vaatziekten zouden verhogen. De resultaten hierover blijven echter tegenstrijdig. Zo beschrijft de review van Harvey, et al. (2017) dat calciumsupplementen wel geassocieerd kunnen worden met gastro-intestinale nevenwerkingen en een licht verhoogd risico op nierstenen, maar dat er onvoldoende overtuigend bewijs is voor een verhoogd cardiovasculair risico. Verschillende recente studies tonen zelfs geen verband of vinden net geen nadelig cardiovasculair effect (Harvey, et al., 2017).
Daarom adviseren de meeste richtlijnen om calcium bij voorkeur via de voeding in te nemen en enkel supplementen te gebruiken wanneer de voedingsinname onvoldoende is of wanneer een arts dit aanbeveelt. Een hogere inname dan 1000 mg levert geen bijkomend voordeel op voor de botgezondheid (Gielen, et al., 2017).
Heb je een calciumsupplement nodig als je lactose- en/of glutenintolerant bent?
Bij lactose-intolerantie wordt calcium op zich niet minder goed opgenomen. Het risico zit voornamelijk in het feit dat melk- en zuivelproducten soms volledig uit de voeding worden weggelaten, waardoor de dagelijkse calciuminname te laag kan zijn en dit op lange termijn een negatieve invloed kan hebben op de botgezondheid (Hodges et al., 2019; Alkalay et al., 2022). Wanneer melk- en zuivelproducten worden beperkt of vermeden, is het belangrijk om voldoende calcium uit andere voedingsmiddelen op te nemen. Een voedingspatroon zonder zuivel, maar met groenten, fruit en volkorenproducten, levert slechts ongeveer 300 mg calcium per dag. Om de aanbevolen dagelijkse calciuminname te behalen, zijn daarom bijkomende calciumbronnen of een calciumsupplement noodzakelijk.
Veel sojadrinks die in België verkrijgbaar zijn, zijn verrijkt met calcium, maar dit is niet altijd het geval. Op de verpakking staat dan bijvoorbeeld "verrijkt met calcium" of "bron van calcium". Daarnaast kunnen ook lactosevrije melk- en zuivelproducten worden gebruikt. Deze bevatten geen lactose meer, maar behouden wel de eiwitten en het calcium van het oorspronkelijke product.
Personen met lactose-intolerantie hoeven lactose bovendien meestal niet volledig te vermijden, maar beperken de inname best tot de hoeveelheid die zij goed verdragen. Dit kan samen met een diëtist worden bekeken. Op die manier kunnen de belangrijke voedingsstoffen uit melk- en zuivelproducten, waaronder calcium, behouden blijven (Alkalay, et al., 2022).
Bij coeliakie (een chronische auto-immuunziekte waarbij het afweersysteem abnormaal reageert op gluten) is de situatie anders. Door de beschadiging van het slijmvlies van de dunne darm worden calcium en vitamine D minder goed opgenomen. Hierdoor kunnen tekorten ontstaan en neemt het risico op osteopenie, osteoporose en botbreuken toe. Een strikt glutenvrij dieet zorgt meestal voor herstel van het darmslijmvlies en een betere opname van voedingsstoffen. Toch kunnen voedingsstoffentekorten bij een deel van de personen blijven bestaan. Daarom is een goede opvolging door een arts of diëtist aangewezen en kan suppletie noodzakelijk zijn wanneer tekorten niet voldoende via de voeding kunnen worden aangevuld (Alkalay, et al., 2022).
Meer informatie over vitamine D, calcium en val- en fractuurpreventie
Voor meer informatie rond dit thema verwijzen we graag door naar het gratis webinar waarin prof. dr. Evelien Gielen een toelichting geeft rond osteoporose in het kader van valpreventie. Op deze pagina wordt er ook verwezen naar het consensusdocument van het Expertisecentrum Val- en fractuurpreventie Vlaanderen dat ontwikkeld werd over fractuurpreventie bij personen met een verhoogd valrisico (Gielen, et al., 2017).
Bronnen:
- Alkalay, M.J., Wozniak, S.E., & Muir, A.B. (2022). Nutrition in patients with lactose malabsorption, celiac disease, and related disorders. Nutrients. 2022;14(1):2. https://doi.org/10.3390/nu14010002
- Dyer, S. M., Kwok, W. S., Suen, J., Dawson, R., Kneale, D., Sutcliffe, K., Seppala, L. J., Hill, K. D., Kerse, N., Murray, G. R., van der Velde, N., Sherrington, C., & Cameron, I. D. (2025). Interventions for preventing falls in older people in care facilities. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2025(8), CD016064. https://doi.org/10.1002/14651858.CD016064
- Gielen, E., Bergmann, P., Bruyère, O., Cavalier, E., Delanaye, P., Goemaere, S., Kaufman, J.-M., Locquet, M., Reginster, J.-Y., Rozenberg, S., Vandenbroucke, A.-M., & Body, J.-J. (2017). Osteoporosis in frail patients: A consensus paper of the Belgian Bone Club. Calcified Tissue International, 101(2), 111–131. https://doi.org/10.1007/s00223-017-0266-3
- Gielen, E., Goemaere, S., Vlaeyen, E., & Milisen, K. (2025). Bijzondere aandachtspunten voor fractuurpreventie bij oudere personen met een verhoogd valrisico: Aanvullingen bij de richtlijnen rond valpreventie van het Expertisecentrum Val- en Fractuurpreventie Vlaanderen (EVV). Expertisecentrum Val- en Fractuurpreventie Vlaanderen.
- Harvey, N. C., Biver, E., Kaufman, J. M., Bauer, J., Branco, J., Brandi, M. L., Bruyère, O., Coxam, V., Cruz-Jentoft, A., Czerwinski, E., Dimai, H., Fardellone, P., Landi, F., Reginster, J.-Y., Dawson-Hughes, B., Kanis, J. A., Rizzoli, R., & Cooper, C. (2017). The role of calcium supplementation in healthy musculoskeletal ageing: An expert consensus meeting of the European Society for Clinical and Economic Aspects of Osteoporosis, Osteoarthritis and Musculoskeletal Diseases (ESCEO) and the International Osteoporosis Foundation (IOF). Osteoporosis International, 28(2), 447–462. https://doi.org/10.1007/s00198-016-3773-6
- Hodges, J.K., Cao, S., Cladis, D.P., & Weaver, C.M. (2019). Lactose intolerance and bone health: The challenge of ensuring adequate calcium intake. Nutrients. 2019;11(4):718. https://doi.org/10.3390/nu11040718
- Montero-Odasso, M., van der Velde, N., Martin, F. C., Petrovic, M., Tan, M. P., Ryg, J., Aguilar-Navarro, S., Alexander, N. B., Becker, C., Blain, H., Bourke, R., Cameron, I. D., Camicioli, R., Clemson, L., Close, J., Delbaere, K., Duan, L., Duque, G., Dyer, S. M., Freiberger, E., Ganz, D. A., Gómez, F., Hausdorff, J. M., Hogan, D. B., Hunter, S. M., Jauregui, J. R., Kamkar, N., Kenny, R.-A., Lamb, S. E., Latham, N. K., Lipsitz, L. A., Liu-Ambrose, T., Logan, P., Lord, S. R., Mallet, L., Marsh, D., Milisen, K., Nieuwboer, A., Perracini, M. R., Pieruccini-Faria, F., Pighills, A., Said, C., Sejdic, E., Sherrington, C., Skelton, D. A., Dsouza, S., Speechley, M., Stark, S., Todd, C., Troen, B. R., van der Cammen, T., Verghese, J., Vlaeyen, E., Watt, J. A., Masud, T., & Task Force on Global Guidelines for Falls in Older Adults. (2022). World guidelines for falls prevention and management for older adults: A global initiative. Age and Ageing, 51(9), afac205. https://doi.org/10.1093/ageing/afac205
- Van Driel, M., & van Leeuwen, J. P. T. M. (2023). Vitamin D and bone: A story of endocrine and auto/paracrine action in osteoblasts. Nutrients, 15(3), 480. https://doi.org/10.3390/nu15030480
- Vlaeyen, E., Milisen, K., Vandervelde, S., Valy, S., Poels, J., Balligand, E., Bautmans, I., Belaen, G., Bergen, L., Bouckaert, L., Buelens, S., Cambier, D., De Coninck, L., Deneyer, H., Gielen, E., Goditiabois, F., Goemaere, S., Lafosse, A., Lipkens, L., Meurrens, J., Nieuwboer, A., Sevenants, S., Stouten, A., Tessier, J., Vyncke, P., & Walgraeve, K. (2025). Vlaamse richtlijn valpreventie in woonzorgcentra. Expertisecentrum Val- en Fractuurpreventie Vlaanderen. https://www.valpreventie.be
Is er een praktijkrichtlijn valpreventie in de ziekenhuissetting?
Voor de ziekenhuissetting heeft het Expertisecentrum Val- en fractuurpreventie Vlaanderen (EVV) geen praktijkrichtlijn. Het EVV is bevoegd voor de thuissetting en woonzorgcentrumsetting en ontwikkelde hiervoor twee richtlijnen. Op onze website kan je wel informatie over valpreventie bij de geriatrische patiënt in het ziekenhuis terugvinden.
Voor een specifieke richtlijn omtrent valproblematiek in het ziekenhuis verwijzen we je door naar de NICE (2025) Falls: assessment and prevention in older people and in people 50 and over at higher risk.
Kunnen laagbedden gebruikt worden in het kader van valpreventie?
Het gebruik van laag-laag bedden (laagbedden met een hoogte van minder dan 30 cm tot aan de bovenkant van de matras) is een veelvoorkomende omgevingsaanpassing in ziekenhuizen met als doel het aantal bedgerelateerde valpartijen te verminderen (8). De inzet van laagbedden is geworteld in een preventiefilosofie die schadebeperking centraal stelt: wanneer het volledig voorkomen van vallen niet mogelijk is, kan het reduceren van de impact en ernst van letsels een zinvolle doelstelling zijn. De verantwoording voor het gebruik van laag-laag bedden is dan ook voornamelijk theoretisch of biomechanisch onderbouwd, eerder dan empirisch (8). Ondanks deze logica blijft het bewijs voor hun effectiviteit beperkt en tegenstrijdig, zoals blijkt uit de huidige literatuur.
In de literatuur zijn er namelijk weinig studies die zich specifiek richten op de effectiviteit van het gebruik van laagbedden in het vermijden van vallen. Een overzichtsstudie (systematische review) onderzocht de effectiviteit van niet farmacologische producten i.f.v. valpreventie (1). Slechts 2 studies werden geïncludeerd op basis van hun kwaliteit. Uit beiden bleek het gebruik van lage bedden niet effectief (2,3). In 2018 werd de review van Cameron et al. geüpdatet, ook hieruit bleek onzekerheid over het effect van lage bedden op het aantal valpartijen (4).
Een studie uit 2024 onderzocht valpartijen vóór en na implementatie van laag-laag bedden in een ziekenhuissetting, specifiek met betrekking tot het in- en uitstappen uit het bed (8). De resultaten toonden geen vermindering van bedgerelateerde vallen of letsels. Integendeel, het totale aantal valpartijen steeg met 10% en incidenten met letsel namen toe met 33,3%. Hoewel het aantal fracturen licht daalde, was dit verschil niet significant. Ook het aantal herhaalde valpartijen nam toe.
Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de lagere positie van het bed bij patiënten een gevoel van veiligheid creëerde, wat hen ertoe aanzette zelfstandig in en uit bed te stappen zonder hulp. Hoewel deze verklaring speculatief is, is verder onderzoek aangewezen. De effectiviteit van laag-laag bedden blijft dus omstreden, wat het belang van bijkomend onderzoek onderstreept.
Naast de hierboven besproken effectiviteit, wijzen ook andere bevindingen uit de literatuur op enkele belangrijke aandachtspunten bij het gebruik van laagbedden:
- De ratio laagbedden per patiënten dient voldoende hoog te zijn (1 laagbed per 3 patiënten) om een reductie van het aantal valpartijen te bewerkstelligen (5).
- Laagbedden zijn aan te raden bij patiënten met een verhoogd valrisico, verwarde patiënten en patiënten met een cognitieve stoornis (6,7).
- Het is aan te raden om een bed altijd terug op een lage positie te plaatsen. Dit zou de angst van patiënten kunnen verlagen wanneer ze in en uit het bed stappen en op die manier vallen verminderen (6,7).
- De procedure van het verlagen van het bed naar de laagste positie moet worden gehandhaafd en gecontroleerd op regelmatige basis als onderdeel van het valpreventieprogramma van het ziekenhuis (6).
Referenties
- Rimland JM, Abraha I, Dell’Aquila G, Cruz-Jentoft A, Soiza R, Gudmusson A, et al. Effectiveness of Non-Pharmacological Interventions to Prevent Falls in Older People: A Systematic Overview. The SENATOR Project ONTOP Series. PloS One. 2016;11(8):e0161579.
- Cameron ID, Gillespie LD, Robertson MC, Murray GR, Hill KD, Cumming RG, et al. Interventions for preventing falls in older people in care facilities and hospitals. Cochrane Database Syst Rev. 2012 Dec 12;12:CD005465.
- Hempel S, Newberry S, Wang Z, Booth M, Shanman R, Johnsen B, et al. Hospital fall prevention: a systematic review of implementation, components, adherence, and effectiveness. J Am Geriatr Soc. 2013 Apr;61(4):483–94.
- Cameron ID, Dyer SM, Panagoda CE, Murray GR, Hill KD, Cumming RG, Kerse N. Interventions for preventing falls in older people in care facilities and hospitals. Cochrane Database Syst Rev. 2018 Sep 7;9(9):CD005465. doi: 10.1002/14651858.CD005465.pub4. PMID: 30191554; PMCID: PMC6148705.
- Barker A, Kamar J, Tyndall T, Hill K. Reducing serious fall-related injuries in acute hospitals: are low-low beds a critical success factor? J Adv Nurs. 2013; 69(1), 112-121. doi:10.1111/j.1365-2648.2012.05997.x
- Tzeng HM, Yin CY. Heights of occupied patient beds: a possible risk factor for inpatient falls. J Clin Nurs. 2008; 17(11), 1503-1509. doi:10.1111/j.1365-2702.2007.02086.x
- Tzeng HM, Yin CY, Anderson A, Prakash A. Nursing staff's awareness of keeping beds in the lowest position to prevent falls and fall injuries in an adult acute surgical inpatient care setting. Medsurg Nurs. 2012; 21(5), 271-274.
- Ryan D, Neenan S, Jablonski K, Clay MA, Auguste S, Ingram S. Evaluation of the implementation of low-low hospital beds with respect to fall frequency and patient harms: A retrospective analysis. J Adv Nurs . 2024; http://dx.doi.org/10.1111/jan.16507
Iemand in mijn familie / omgeving is gevallen, hoe kan ik helpen?
Je bent niet alleen, 1 op 3 oudere personen (>65j) valt minstens éénmaal per jaar.
Wil je helpen om vallen te voorkomen, ga dan na wat de mogelijke oorzaken en gevolgen zijn van een val. Daarnaast voorzien we ook nuttige tips die kunnen helpen om vallen te voorkomen.
Tot slot kan je op onze website een uitgebreid aanbod aan materialen terugvinden:
- Educatieve materialen:
- Brochures
- Werkfiches
- Kennisclips
- Flyers en folders
- Checklists
- Promotiematerialen
- Affiches
- Placemats
- Banners en kubustotems
- Activiteiten
- Quizzen
- Valpreventieparcours
- Knelpuntwandeling
- Rollatortreffen
Zijn er specifieke oefenprogramma's voor valpreventie?
Bewegen speelt een belangrijke rol in valpreventie. Verminderde spierkracht en problemen met evenwicht en/of mobiliteit behoren namelijk tot de belangrijkste valrisicofactoren. Er zijn verschillende manieren om het gepaste oefenprogramma voor valpreventie te vinden:
Kinesitherapie
Het verlies van spierkracht en evenwicht kan het gevolg zijn van verschillende oorzaken. Een kinesitherapeut is opgeleid om stoornissen in kracht, evenwicht of beweeglijkheid te onderzoeken en behandelen. Op basis van de klinische bevindingen wordt er een programma op maat opgesteld. Om terugbetaling te verkrijgen via het ziekenfonds dient de huisarts een voorschrift voor een behandeling of consultatief kinesitherapeutisch onderzoek op te maken. Indien uit het onderzoek blijkt dat er een verhoogd valrisico aanwezig is, kan er tot 60 zittingen per jaar een terugbetaling ontvangen worden voor begeleide kinesitherapie.
Vlaams Otago oefenprogramma
Het Vlaamse Otago oefenprogramma is een individueel thuisoefenprogramma, bestaande uit spierversterkende oefeningen, evenwichtsoefeningen en een wandelschema. Het oefenprogramma is ontwikkeld om het aantal valpartijen bij oudere personen te verminderen, het evenwicht, de spierkracht, mobiliteit, coördinatie en algemene lichaamshouding te verbeteren, het zelfvertrouwen te verhogen, bezorgdheid om te vallen te verminderen, sociale contacten en de zelfstandigheid van oudere personen te bevorderen. De oudere persoon wordt individueel of in groep begeleid en opgevolgd door een daarvoor opgeleide instructeur gedurende een periode van minstens 12 weken. Het wereldwijd bekende Otago oefenprogramma, dat oorspronkelijk ontwikkeld en getest werd in Nieuw-Zeeland, werd door het EVV geëvalueerd en bijgestuurd aan de context en specifieke gezondheidszorg van Vlaanderen.
Het EVV voorziet ook een opleiding tot VL-Otago instructeur voor professionele zorgverleners en paramedici, gericht op het verbeteren van spierkracht en evenwicht bij thuiswonende oudere personen om valpartijen te verminderen. Na afronding van de opleiding ontvangen deelnemers een getuigschrift en kunnen zij toetreden tot het Vlaamse Otago netwerk om het oefenprogramma in hun praktijk te implementeren, met ondersteuning van het EVV.
Bewegen op Verwijzing
Bewegen op verwijzing helpt mensen met een gezondheidsrisico, onder andere oudere personen met een verhoogd valrisico, op weg naar een actiever leven. De huisarts kan d.m.v. een verwijsbrief doorverwijzen naar een coach in de buurt tegen een betaalbare prijs. Die coach zal samen met de oudere persoon een beweegplan op maat opstellen, hem/haar op weg helpen en motiveren.
Hoe kan men in het ziekenhuis screenen voor oudere patiënten met een hoog valrisico?
Het identificeren van patiënten met een verhoogd risico op vallen tijdens hun ziekenhuisverblijf is bijzonder moeilijk vanwege de beperkte sensitiviteit en specificiteit van beschikbare screeningsinstrumenten, zoals benadrukt in recente literatuuroverzichten en internationale richtlijnen (1-5). Onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat de STRATIFY bij oudere gehospitaliseerde patiënten een matige tot zwakke sensitiviteit kent en daarnaast een groot aandeel van vals-negatieve resultaten rapporteert (6, 7). Hetzelfde geldt voor andere screeningsinstrumenten die onvoldoende sensitief en specifiek zijn (bv. Morse Fall Scale, Hendrich Fall Risk Model I & II, Conley scale, etc.) (1, 3, 4, 8).
Tot op heden bestaat er dus geen gepast screeningsinstrument om bij opname van een oudere patiënt in het ziekenhuis een verhoogd valrisico te identificeren. Dit leidt ons tot de conclusie dat het momenteel niet zinvol is om de beperkte middelen en personeel in te zetten voor het screenen van patiënten op een verhoogd valrisico. De NICE (2025) Falls: assessment and prevention in older people and in people 50 and over at higher risk en de World guidelines for falls prevention (2022) bevelen aan om alle oudere personen opgenomen in het ziekenhuis als hoog risico in te schatten. Volgens hen is het dus best om niet te screenen en meteen een multifactoriële evaluatie ter identificatie van eventuele valrisicofactoren uit te voeren bij gehospitaliseerde oudere patiënten. Een multifactoriële evaluatie heeft tot doel een gedetailleerde en systematische evaluatie uit te voeren van de valgeschiedenis en de meest voorkomende en beïnvloedbare valrisicofactoren. Deze evaluatie dient bij voorkeur multidisciplinair te gebeuren. Daarom is het cruciaal om bij de aanwezigheid van valrisicofactoren onmiddellijk multifactoriële interventies te initiëren en hiervoor een opvolgmoment te plannen (5).
Referenties:
- Meyer G, Möhler R, Köpke S. Reducing waste in evaluation studies on fall risk assessment tools for older people. J Clin Epidemiol. 2018;102:139-43. doi:10.1016/j.jclinepi.2018.05.005
- Haines TP, Hill K, Walsh W, Osborne R. Design-related bias in hospital fall risk screening tool predictive accuracy evaluations: systematic review and meta-analysis. J Gerontol A Biol Sci Med Sci. 2007;62(6):664-72. doi:10.1093/gerona/62.6.664
- Matarese M, Ivziku D, Bartolozzi F, Piredda M, De Marinis MG. Systematic review of fall risk screening tools for older patients in acute hospitals. J Adv Nurs. 2015;71(6):1198-209. doi:10.1111/jan.12542
- Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie. Richtlijn Preventie van valincidenten bij ouderen. Utrecht: NVKG; 2017.
- National Institute for Health and Care Excellence (NICE). Falls in older people: assessing risk and prevention. London: NICE; 2013. doi:10.7861/clinmedicine.14-6-658
- Milisen K, Staelens N, Schwendimann R, De Paepe L, Verhaeghe J, Braes T, et al. Fall prediction in inpatients by bedside nurses using the St. Thomas's Risk Assessment Tool in Falling Elderly 7. Inpatients (STRATIFY): a multicenter study. J Am Geriatr Soc. 2007;55(5):725-33. doi:10.1111/j.1532-5415.2007.01151.x
- Oliver D, Papaioannou A, Giangregorio L, Thabane L, Reizgys K, Foster G. A systematic review and meta-analysis of studies using the STRATIFY tool for prediction of falls in hospital patients: how well does it work? Age Ageing. 2008;37(6):621-7. doi:10.1093/ageing/afn203
- Aranda-Gallardo M, Morales-Asencio JM, Canca-Sanchez JC, Barrero-Sojo S, Perez-Jimenez C, Morales-Fernandez A, et al. Instruments for assessing the risk of falls in acute hospitalized patients: a systematic review and meta-analysis. BMC Health Serv Res. 2013;13:122. doi:10.1186/1472-6963-13-122
Is het gebruik van antislipsokken aan te raden in kader van valpreventie?
Antislipsokken zijn enkel te overwegen als tijdelijke oplossing in afwachting van gesloten schoenen (bijvoorbeeld bij een acute ziekenhuisopname waarbij nog geen veilig schoeisel aanwezig is). Een belangrijk nadeel van antislipsokken is dat ze de voet niet vast omsluiten. Daarnaast is het afrollen van de voet bij het stappen bij oudere personen soms beperkt. De oudere persoon zou dan meer kunnen gaan slepen met de voeten, waarbij de antislip van de sok op zich het valrisico kan verhogen. Verder is er een groot kwaliteitsverschil tussen de aangeboden sokken, waarbij sommigen voor een zekere stroefheid tussen sok en ondergrond zorgen. Dit kan een onterecht gevoel van veiligheid geven. Foutief gebruik van de antislipsok (bijvoorbeeld binnenstebuiten aantrekken) en een onvoldoende therapietrouw kunnen het effect eveneens negatief beïnvloeden. Indien het aantrekken van degelijk schoeisel een probleem vormt, kunnen hulpmiddelen en aanpassingen in het aantrekken van schoenen een oplossing bieden.
Hoewel antislipsokken vaak worden gebruikt om vallen te voorkomen, suggereert de beschikbare literatuur dus dat hun effectiviteit beperkt is en dat ze nadelen kunnen hebben, zoals een verhoogd valrisico en de verspreiding van ziekenhuisinfecties. De literatuur beveelt aan om waar mogelijk goed aangepast schoeisel voor oudere personen te voorzien. Volgende website geeft een goed overzicht van kenmerken van veilig schoeisel.
We besluiten dat er weinig evidentie is in de huidige wetenschappelijke literatuur over antislipsokken. De schaarse evidentie over een positief effect op het aantal valpartijen is niet eenduidig en de uitgevoerde studies hebben vaak belangrijke methodologische beperkingen.
Voor meer wetenschappelijke informatie raden we de volgende referenties aan:
- Chari S, Haines T, Varghese P, Economidis A. Are non-slip socks really ‘non-slip’? An analysis of slip resistance. BMC Geriatr. 2009;9(1). 10.1186/1471-2318-9-39
- Hartung B, Lalonde M. The use of non-slip socks to prevent falls among hospitalized older adults: A literature review. Geriatr Nurs. 2017;38(5):412–6. 10.1016/j.gerinurse.2017.02.002
- Jazayeri D, Heng H, Slade SC, Seymour B, Lui R, Volpe D, et al. Benefits and risks of non-slip socks in hospitals: a rapid review. Int J Qual Health Care. 2021;33(2). 10.1093/intqhc/mzab057
- Jellema AH, Huysmans T, Hartholt K, van der Cammen TJM. Shoe design for older adults: Evidence from a systematic review on the elements of optimal footwear. Maturitas. 2019;127:64–81. 10.1016/j.maturitas.2019.06.002
Zijn heupbeschermers aan te raden in het kader van valpreventie?
Een val heeft tal van psychosociale, economische en fysieke gevolgen, zoals bijvoorbeeld bezorgdheid om te vallen, kneuzingen en heupfracturen. Afhankelijk van de woonplaats (thuis of in het woonzorgcentrum), leidt ongeveer 1 tot 5% van alle valpartijen tot een heupfractuur. De gezondheidskosten die gepaard gaan met een heupfractuur worden in België geschat op gemiddeld €11.500 per persoon (1). Omdat niet alle valpartijen te voorkomen zijn, dient er ook ingezet te worden op fractuurpreventie. Een voorbeeld van fractuurpreventie is een heupbeschermer.
Een heupbeschermer is een beschermende schelp die in speciaal ontwikkelde kleding of ondergoed kan worden geplaatst, of gewoon in reguliere kleding. Het doel van deze bescherming is de energetische impact van een direct trauma op de heup te verminderen.
Deze beschermers kunnen worden opgedeeld in zachte en harde schelpen of kussens. De zachte varianten vangen de lokaal ontwikkelde energie op die vrijkomt bij een val. De harde varianten verspreiden de energie naar de omliggende spieren en weke weefsels, weg van het dijbeen (2). Als de heupbeschermer gedragen wordt op het moment van een val, kunnen specifieke heupbeschermers het risico op een fractuur tot 80% reduceren (3–6).
Een belangrijke voorwaarde voor het gebruik van een heupbeschermer is therapietrouw (6–8). Daarom kan het dragen van een heupbeschermer enkel worden overwogen bij oudere personen waar een goede garantie is op het dragen van de heupbeschermer.
Therapieontrouw is bij oudere personen vaak een groot probleem, omdat bijvoorbeeld de oudere niet gelooft in de effectiviteit van heupbeschermers, de extra moeite of tijd die nodig is om heupbeschermers aan te doen en te dragen, de aanwezigheid van urinaire incontinentie of ongemak als de heupbeschermer niet goed zit of omwille van fysieke problemen ten gevolge van musculoskeletale aandoeningen (7,8). Wanneer de heupbeschermers verkeerd geplaatst worden, kunnen zij zorgen voor irritatie en een verhoogde druk op de grote trochanter (=botuitsteeksel aan de bovenkant van het dijbeen).
Ook zorgverleners ervaren barrières voor het gebruik van heupbeschermers. Een hoge werklast, gebrek aan communicatie en documentatie en een negatieve attitude ten aanzien van heupbeschermers hebben een invloed op het gebruik ervan (7).
Een betere therapietrouw werd vastgesteld bij bewoners in het woonzorgcentrum met een hogere graad van afhankelijkheid en cognitieve achteruitgang. In vergelijking met zelfstandige bewoners in het woonzorgcentrum of thuiswonende oudere personen kan de therapietrouw bij deze groep van afhankelijke bewoners immers beter door het personeel gewaarborgd worden (4).
Het gebruik van heupbeschermers is dus enkel aan te bevelen bij oudere personen met een hoog val- en fractuurrisico en waarbij een goede therapietrouw gewaarborgd kan worden. Er dient steeds voldoende aandacht te gaan naar het comfortabel en veilig gebruik van de heupbeschermer. Let zeker op voor: pijn door druk van de randen van de schelpen, doorligwonden, irritatie van de huid, juiste positie van de schelpen ter hoogte van de grote trochanter en de kostprijs van de heupbeschermer. Naast het gebruik van heupschermers dienen ook het belang van de klassieke valpreventie interventies en het eventueel opstarten van osteoporose medicatie met de patiënt besproken te worden.
Refererenties:
- Svedbom A, Hernlund E, Ivergård M, Compston J. Osteoporosis in the European Union: a compendium of country-specific reports. Arch Osteoporos. 2013;8:137. doi:10.1007/s11657-013-0137-0
- Laing AC, Robinovitch SN. The force attenuation provided by hip protectors depends on impact velocity, pelvic size, and soft tissue stiffness. J Biomech Eng. 2008;130:061002. doi:10.1115/1.2979867
- Kannus P, Parkkari J, Niemi S, Pasanen M, Palvanen M, Järvinen M, et al. Prevention of hip fracture in elderly people with use of a hip protector. N Engl J Med. 2000;343(21):1506–13. doi:10.1056/NEJM200011233432101
- Bentzen H, Bergland A, Forsén L. Risk of hip fractures in soft protected, hard protected, and unprotected falls. Inj Prev. 2008;14:306–10. doi:10.1136/ip.2007.018275
- Forsén L, Søgaard AJ, Sandvig S, Schuller A, Roed U, Arstad C. Risk of hip fracture in protected and unprotected falls in nursing homes in Norway. Inj Prev. 2004;10:16–20. doi:10.1136/ip.2003.003889
- Santesso N, Carrasco-Labra A, Brignardello-Petersen R. Hip protectors for preventing hip fractures in older people: a systematic review. Cochrane Database Syst Rev. 2014;3:CD001255. doi:10.1002/14651858.CD001255.pub5
- Korall AMB, Feldman F, Scott V, Wasdell M, Gillan R, Ross D, et al. Facilitators of and barriers to hip protector acceptance and adherence in long-term care facilities: a systematic review. J Am Med Dir Assoc. 2015;16(3):185–93. doi:10.1016/j.jamda.2014.12.004
- Milisen K, Coussement J, Boonen S, Geeraerts A, Druyts L. Nursing staff attitudes of hip protector use in long-term care, and differences in characteristics between adherent and non-adherent residents: a survey and observational study. Int J Nurs Stud. 2011;48(2):193–203. doi:10.1016/j.ijnurstu.2010.07.008
Waarom zijn bloeddrukmetingen na 1 en 3 minuten belangrijk voor het vaststellen van orthostatische hypotensie (OH) en het beoordelen van het valrisico bij oudere personen?
Bloeddrukdaling na 1 minuut > 20 mmHg, maar na 3 minuten < 20 mmHg:
In dit geval is er aanvankelijk een significante bloeddrukdaling die na 3 minuten niet meer voldoet aan de criteria voor orthostatische hypotensie (OH). Dit wijst op initiële OH, wat betekent dat het lichaam aanvankelijk moeite heeft om zich aan te passen aan de staande houding, maar dit na enige tijd wel doet. Volgens de standaard criteria is OH aanwezig bij de eerste meting (na 1 minuut), zelfs als de daling daarna minder wordt.
De tweede meting is nuttig om te bepalen of de patiënt last heeft van vertraagde OH, chronische problemen heeft met bloeddrukregulatie bij het staan of dat het probleem zich vooral voordoet in de eerste minuut.
Bloeddrukdaling na 1 minuut < 20 mmHg, maar na 3 minuten > 20 mmHg:
Als de bloeddrukdaling na 3 minuten significant is, wijst dit op klassieke of vertraagde OH, afhankelijk van het precieze tijdstip. Dit betekent dat het lichaam aanvankelijk de bloeddruk kan handhaven bij het opstaan, maar na enige tijd toch faalt in de bloeddrukregulatie. Dit is evenzeer een indicatie van OH.
De tweede meting is cruciaal om deze vertraagde reactie op te sporen.
Conclusie:
In beide gevallen kan er over OH worden gesproken:
- Een significante daling na 1 minuut wijst op initiële orthostatische hypotensie.
- Een significante daling na 3 minuten wijst op klassieke orthostatische hypotensie.
- Een significante daling na langer dan 3 minuten wijst op vertraagde orthostatische hypotensie.
De tweede meting is dus essentieel om een volledig beeld te krijgen van hoe de bloeddruk zich gedraagt bij het opstaan. Het helpt om zowel vroege als late vormen van OH te identificeren.
Daarbovenop geeft een recente studie (Petriceks et al., 2023) aan dat hoewel onmiddellijke metingen gevoeliger waren voor OH, OH die na 3 minuten werd gedetecteerd, een sterkere voorspeller was voor het valrisico. Deze late metingen bleken een sterkere voorspeller te zijn, omdat ze mogelijk een meer blijvende onvermogen van het lichaam om de bloeddruk te reguleren weerspiegelen, wat bijdraagt aan een verhoogd risico op vallen. Voor het evalueren van de OH bij oudere personen adviseren de onderzoekers twee bloeddrukmetingen te doen: één direct na het opstaan en een tweede na ongeveer 3 à 4 minuten. Verder onderzoek is nodig om de betrouwbaarheid en klinische toepasbaarheid van deze bevindingen te bepalen.
Cardiale belasting:
Een tweede meting geeft ook inzicht in hoe goed het cardiovasculaire systeem de veranderingen in lichaamshouding kan hanteren. Een late bloeddrukdaling kan duiden op een verminderde cardiale output of andere cardiovasculaire problemen die niet direct zichtbaar zijn na de eerste minuut.
Voor een uitgebreider inzicht kan je steeds volgende referenties raadplegen:
- Petriceks AH, Appel LJ, Miller ER 3rd, Mitchell CM, Schrack JA, Mukamal KJ, et al. Timing of orthostatic hypotension and its relationship with falls in older adults. J Am Geriatr Soc. 2023;71(12):3711–20. 10.1111/jgs.18573
- Ricci F, De Caterina R, Fedorowski A. Orthostatic hypotension. J Am Coll Cardiol. 2015;66(7):848–60. 10.1016/j.jacc.2015.06.1084
- Gibbons CH, Freeman R. Delayed orthostatic hypotension: A frequent cause of orthostatic intolerance. Neurology. 2006;67(1):28–32. 10.1212/01.wnl.0000223828.28215.0b
Welke praktijkrichtlijnen zijn er beschikbaar over valpreventie?
Met betrekking tot richtlijnen voor valpreventie zijn er 3 belangrijke settings waarvoor er richtlijnen zijn:
Thuissetting:
- De praktijkrichtlijn ‘Valpreventie bij thuiswonende ouderen: Praktijkrichtlijn voor Vlaanderen’ (ontwikkeld door het EVV).
Residentiële setting/Woonzorgcentra:
- De praktijkrichtlijn ‘Valpreventie in Woonzorgcentra: Praktijkrichtlijn voor Vlaanderen’ (ontwikkeld door het EVV).
Ziekenhuissetting:
Is de praktijkrichtlijn ‘Valpreventie bij thuiswonende ouderen in Vlaanderen’ en Vlaamse richtlijn ‘Valpreventie in Woonzorgcentra' ook toepasbaar op ouderen met cognitieve stoornissen/dementie?
De effectiviteit van een multifactoriële evaluatie en -interventie is enkel aangetoond bij cognitief intacte oudere personen. Voor oudere personen met cognitieve stoornissen is er tot op heden onvoldoende onderzoek verricht naar de effectiviteit van valpreventie interventies, mede omdat ze vaak uitgesloten worden in studies. Er zijn dus geen argumenten om voor of tegen deze aanpak te adviseren. Om die reden adviseren we om bij de groep met cognitieve stoornissen deze praktijkrichtlijnen, daar waar mogelijk en op basis van het klinisch oordeel, toe te passen. Wil je graag meer te weten komen over dementie in het algemeen, neem dan eens een kijkje op www.dementie.be.
Welke kwaliteitsindicatoren zijn er in Vlaanderen voorhanden in het kader van valproblematiek bij ouderen?
Woonzorgcentra
Tot 2023 werden valgerelateerde kwaliteitsindicatoren in Vlaamse woonzorgcentra opgevolgd via het Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg (VIKZ). Hierbij hoorden o.a.:
- C1: percentage bewoners met één of meer valpartijen in de registratiemaand (mei 2016/2018; maart/september 2022/2023).
- C2: percentage bewoners met twee of meer valpartijen in diezelfde registratiemaanden.
Sinds 1 juni 2023 is echter het gebruik van BelRAI Long-Term Care Facilities (LTCF) verplicht als zorgplanningsinstrument in woonzorgcentra. BelRAI vervangt hiermee de vroegere kwaliteitsopvolging via VIKZ. Voor een nieuwe bewoner wordt opgenomen, moet het woonzorgcentrum controleren of er een recente BelRAI-inschaling beschikbaar is. Als dit niet het geval is, kan het woonzorgcentrum een BelRAI Screener uitvoeren of een bestaande inschaling aanpassen. Met de BelRAI Screener kan het woonzorgcentrum de zorgbehoeften van een persoon met zorg- en ondersteuningsnoden vaststellen.
Hoewel de BelRAI Screener nuttige informatie biedt voor de zorgplanning, zal in woonzorgcentra alleen gebruik worden gemaakt van BelRAI Long-Term Care Facilities (LTCF) als zorgplanningsinstrument. Dit komt omdat de meeste bewoners aanzienlijke en langdurige zorg nodig hebben.
Meer informatie is te vinden via: https://www.zorg-en-gezondheid.be/beleid/ezorgzaam-vlaanderen/belrai/belrai-binnen-de-ouderenzorg.
Thuissetting
Binnen de thuissetting geeft de vijfjaarlijkse nationale Gezondheidsenquête (Health Interview Survey – HIS), uitgevoerd door Sciensano, een overzicht van parameters die interessant zijn in het kader van valpartijen en valpreventie bij thuiswonende oudere personen.
Verder hebben sommige thuiszorgorganisaties hun eigen intern registratiesysteem om valpartijen op te volgen.
Ziekenhuissetting
Het Vlaams Instituut Kwaliteit van Zorg (VIKZ) ontwikkelt in samenwerking met de sector een reeks indicatoren op basis van een evidence-based methodologie om de kwaliteit van zorg in Vlaamse algemene ziekenhuizen te meten. Ziekenhuizen kunnen zelf kiezen welke indicatoren zij willen meten.
De Zorginspectie ziet erop toe dat de algemene ziekenhuizen deze kwaliteitsnormen naleven op de werkvloer, waarbij zowel structuur, processen als resultaten worden geëvalueerd. Dit gebeurt aan de hand van een nieuw inspectiemodel dat zich richt op zorgtrajecten. Een zorgtraject beschrijft de route die een specifieke groep patiënten binnen een ziekenhuis doorloopt, met nadruk op elementen die cruciaal zijn voor de kwaliteit van zorg. Elk Vlaams ziekenhuis moet aan deze normen voldoen.
Specifiek binnen het Eisenkader voor de geriatrische patiënt is er aandacht voor valpreventie en het meten van een verhoogd valrisico, wat bijdraagt aan de algehele kwaliteitsverbetering van de zorg voor oudere patiënten.
Tot slot kan door de registratie van de Medische Gegevens van de Minimale Ziekenhuisgegevens (MG-MZG) bij ontslag van een patiënt gebruik worden gemaakt van bepaalde items die gecodeerd worden aan de hand van de ICD-10-BE (classificatiesyteem om aan pathologie gerelateerde data systematisch te delen, te bewaren en te bevragen). Het registreren van letsels maakt hier onderdeel van uit. Aangezien valpartijen vaak gepaard gaan met letsels, meer bepaald met fracturen, kan deze registratie als indirecte indicator gebruikt worden.
Algemeen
Ongeacht de setting is interpretatie binnen de juiste context en nodige nuancering van deze indicatoren/parameters noodzakelijk.
Het thema Valpreventie wordt bevraagd in de preventiepeilingen van Vlaams Instituut Gezond Leven (Gezond Leven). Ben je benieuwd naar de resultaten? Je kan ze hier terugvinden: De Preventiepeiling | Gezond Leven