2 op 3 bewoners vallen ...

Ongeveer twee op drie bewoners in woonzorgcentra komen minimum 1 keer per jaar ten val. Van deze ouderen valt bijna de helft meerdere keren per jaar. Deze cijfers liggen dus veel hoger dan bij ouderen die nog thuis wonen. Dit verschil wordt voornamelijk verklaard door het hogere kwetsbaarheidprofiel van bewoners, maar ook door een betere rapportage in de woonzorgcentra. Het risico op een valpartij stijgt bovendien met de leeftijd. Ouderen met dementie lopen zelfs nog een groter risico.

Zowel persoons- als omgevingsgebonden factoren kunnen aan de basis liggen van een val. Het is zelden één enkele factor die de val veroorzaakt. Dikwijls spelen meerdere factoren tegelijk een rol. Het is achteraf ook vaak moeilijk te bepalen welke factor de belangrijkste bijdrage leverde. Hoe meer risicofactoren er aanwezig zijn, hoe groter het valrisico. Nochtans zijn heel wat van deze risicofactoren te behandelen.

Persoonsgebonden valrisicofactoren

Biologische factoren

Voorbeelden van biologische factoren zijn:

  • leeftijd en geslacht
  • verminderde spierkracht
  • problemen met evenwicht of mobiliteid
  • duizeligheid
  • een te lage bloeddruk of een plotse daling van de bloeddruk bij het rechtkomen (ook wel orthostatische hypotensie genoemd) Orthostatische hypotensie kan te wijten zijn aan stoornissen van hart- en bloedvaten, aandoeningen van de hersenen zoals de ziekte van Parkinson of het gebruik van sommige geneesmiddelen. De oorzaak is een kortdurende te lage bloeddruk die ontstaat omdat de bloeddruk zich niet snel genoeg aanpast. Daardoor krijgen de hersenen even wat te weinig zuurstof. 
  • depressie: Personen met een depressie zijn minder geneigd om adviezen rond valpreventie of een behandeling van het valrisico op te volgen. Ook reageren zij vaak vertraagd. Bovendien kan de behandeling met een geneesmiddel tegen depressie het valrisico verhogen.
  • urinaire incontinentie: Wie ’s nachts dikwijls moet opstaan om te plassen of zich moet haasten om tijdig het toilet te bereiken, heeft een hogere kans om te vallen.
  • pijn: bij pijn gaat bewegen vaak moeilijker en kan last ondervonden worden van stijfheid. Pijn kan bovendien leiden tot een verminderde slaap, wat overdag leidt tot meer vermoeidheid, sufheid en minder aandachtig zijn. Ook daardoor stijgt de kans om te vallen.
  • voetproblemen
  • een slecht gezichtsvermogen: Vooral een verminderd dieptezicht en het minder goed waarnemen van contrasten vergroten het risico op vallen. Veel ouderen dragen ook geen aangepaste bril of hebben de glazensterkte in jaren niet meer laten aanpassen.
  • ziektes zoals dementie, een hersenbloeding of de ziekte van Parkinson.

Gedragsfactoren

Voorbeelden van gedragsfactoren zijn:

  • minder lichaamsbeweging
  • het foutief gebruik van loophulpmiddelen
  • valangst
  • te veel alcohol of medicatie
  • onveilig gedrag zoals het gebruik van een stoel in plaats van een veilige (trap)ladder om iets uit de kast te halen, onaangepast schoeisel dragen

Omgevingsgebonden factoren

Voorbeelden van omgevingsfactoren zijn:

  • losliggende snoeren of andere draden
  • onvoldoende verlichting
  • losliggend tapijt
  • drempels
  • rondslingerende schoenen
  • een overvolle kamer
  • een te laag toilet zonder handgrepen aan de muur