Praktijkrichtlijn voor woonzorgcentra

Deze praktijkrichtlijn is gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke evidentie en op de (klinische en wetenschappelijke) expertise van de leden van de werkgroep residentiële ouderenzorg van het Expertisecentrum Val- en Fractuurpreventie Vlaanderen (EVV), dit met steun van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid. Het is een leidraad, geen verplichting. Het kan je helpen om in de dagelijkse praktijk valincidenten te detecteren, te evalueren en te behandelen, om zo nieuwe valincidenten en de mogelijk ernstige gevolgen te voorkomen. Bij het implementeren van de praktijkrichtlijn valpreventie in de woonzorgcentra in Vlaanderen dient steeds rekening te worden gehouden met de individuele context van de bewoner alsook het eigen professionele inzicht en de karakteristieken van de voorziening. Een inleiding over de praktijkrichtlijn vind je hier.

De praktijkrichtlijn voor Woonzorgcentra bestaat uit vijf onderdelen:

  1. Valpreventiemaatregelen op voorzieningsniveau
  2. Individuele valpreventiemaatregelen
  3. Individuele fractuurpreventiemaatregelen
  4. Follow-up
  5. Implementatie

Het eerste hoofdstuk ‘maatregelen op voorzieningsniveau’ bestaat uit algemene maatregelen die zich niet specifiek richten op het individueel risicoprofiel van elke bewoner, zoals educatie en sensibilisatie van medewerkers en beleid van de voorziening. Een tweede hoofdstuk bevat ‘individuele valpreventiemaatregelen’. Deze maatregelen zijn specifiek afgestemd op de individuele bewoner, waardoor de praktijkrichtlijn kan worden toegepast bij ouderen met een diversiteit aan zorgafhankelijkheid. Bewoners worden 1) bij opname, 2) na elk valincident waar uit de omstandigheden van de val blijkt dat dit nodig is, 3) wanneer de algemene toestand wijzigt (bijvoorbeeld na een hospitalisatie) of 4) op zijn minst jaarlijks, uitgebreid geëvalueerd (multifactoriële evaluatie). Deze evaluatie gebeurt bij voorkeur in interdisciplinair verband. De werkgroep selecteerde de meest voorkomende risicofactoren voor valincidenten waarop in de voorziening kan worden ingegrepen. Nadien worden multifactoriële interventies voor de aanwezige risicofactoren voorgesteld. Het derde onderdeel ‘individuele fractuurpreventiemaatregelen’ geeft een overzicht van maatregelen die kunnen worden toegepast ter preventie van fracturen. In de vierde stap wordt gekeken naar ‘follow-up’. Het vijfde en laatste hoofdstuk betreft de ‘implementatie' van de praktijkrichtlijn in de eigen voorziening.

Daarnaast vormt de motivatie van de oudere persoon en zijn omgeving een belangrijk aspect voor het welslagen van valpreventiemaatregelen. Meer informatie vind je onder het thema 'Hoe ouderen motiveren'.

Een overzichtsschema en de werkfiche kan je hier downloaden. De bijlagen en bijhorende video’s vind je onder downloads.