Therapietrouw - motivatie ouderen

Klinische vraag 7: Hoe kunnen professionele zorgverleners zorgen voor een betere therapietrouw bij thuiswonende ouderen met een verhoogd valrisico?

  Aanbevelingen
 GRADE*

7.1

Bepaal in samenspraak met de oudere en/of zijn mantelzorger de prioriteiten met betrekking tot voorgestelde interventies, rekening houdend met diens voorkeuren, de haalbaarheid en belemmerende en bevorderende factoren.

1C

7.2

Bied de oudere en/of mantelzorger informatie over valpreventie aan in een begrijpbare taal en aangepast aan zijn cognitieve functioneren.

1C

7.3

Voorzie altijd een follow-up, waarvan de intensiteit is afgestemd op de noden en behoeften van de oudere.

1C

* Voor meer informatie over de betekenis van het GRADE beoordelingssysteem, raadpleeg Van Royen P. (2008)

 

Therapietrouw bevorderen bij 65+

 

Toelichting

In de Vlaamse bevraging van het EVV 7 geven professionele thuiszorgverleners aan dat ongemotiveerde ouderen en ouderen die hun valrisico ontkennen, valpreventie erg bemoeilijken. Informeren is een onderdeel van de multifactoriële aanpak. Ter ondersteuning van professionele zorgverleners biedt het EVV een divers aanbod van activiteiten en materialen aan (o.a. brochures, folders, flyers, vormingen, checklists, oefenpakketten, sensibilisatiefilmpjes ...). Sensibilisatiecampagnes blijken zeer zinvol om ouderen en hun mantelzorgers aan te moedigen om zelf de nodige verantwoordelijkheid te nemen op vlak van valpreventie. Zo organiseert het EVV sinds 2012 de sensibilisatiecampagne ‘Week van de Valpreventie’.

Om na te gaan of het voorgestelde behandelplan resultaat oplevert, moet een opvolgmoment (follow-up) worden voorzien. Uit de bevraging van het EVV 7  blijkt dat ruim één op twee professionele zorgverleners (huisartsen, verpleegkundigen, ergotherapeuten, kinesitherapeuten) vaak (45%) tot altijd (9%) opvolging voorziet om het effect van het behandelplan te evalueren: 44% doet dat maandelijks, 28% om de drie maanden, 16% om de zes maanden en 12% hanteert nog een andere timing. Factoren die regelmatige opvolging door de zorgverlener in de weg staan, zijn onder meer een hoge werkdruk, gebrekkige regelgeving en beperkte vergoedingsmogelijkheden.    

Evidentie

7.1) De professionele zorgverlener moet met de oudere en zijn omgeving bespreken welke veranderingen de oudere zelf haalbaar vindt om toekomstige valincidenten te voorkomen. Peilen naar belemmerende en/of bevorderende factoren kan hierbij richtinggevend zijn. Echter, er is niet één bevorderende of belemmerende factor, maar meerdere. Deze factoren identificeren en bespreken, is een cruciale stap voor aanvang van een valpreventieprogramma 4. Oefenprogramma’s zijn een belangrijk onderdeel van multidisciplinaire interventies. Om de therapietrouw te verhogen, is het belangrijk om duidelijk met de oudere te overleggen wat haalbaar is qua duur, intensiteit en frequentie105106107.

7.2) De oudere dient zowel mondelinge als schriftelijke informatie te krijgen, niet alleen over de te nemen valpreventiemaatregelen, maar ook over hoe gemotiveerd blijven, hoe valincidenten voorkomen, over de fysieke en psychologische voordelen van het reduceren van het valrisico (bv. langer zelfstandig thuis blijven wonen, minder valangst), over hoe advies en assistentie kan bekomen worden, hoe hulp kan worden ingeschakeld en over hoe de oudere na een val recht moet komen 4. De aandachtspunten met betrekking tot de interventies moeten begrijpbaar zijn en op maat van het cognitieve niveau van de oudere 2. Het is overigens belangrijk om de oudere te motiveren om de genomen valpreventiemaatregelen vol te houden 23, 4.

7.3) Om het valpreventieprogramma te doen slagen, is onmiddellijke opvolging na opstart van het behandelplan onontbeerlijk. De opvolging gebeurt door het hele multidisciplinaire team. De intensiteit van de opvolging wordt bepaald in functie van de individuele noden van de oudere. Belangrijk is dat de oudere en zijn omgeving continu gemotiveerd worden om het behandelplan te volgen 3. Opvolging aan huis of telefonische opvolging verhoogt de therapietrouw106

Vraag 7 kan nagelezen worden in de richtlijn, p. 37-38.