Ellen Vlaeyen verdedigde met brio haar doctoraat!

“Fall prevention in nursing homes: documented effectiveness, prevailing views and current practices”

Op donderdag 14 december 2017 verdedigde Ellen Vlaeyen met brio haar proefschrift “Fall prevention in nursing homes: documented effectiveness, prevailing views and current practices”.

Valincidenten vormen een omvangrijk probleem voor ouderen. In woonzorgcentra zijn valincidenten het meest prominent aanwezig, met een geschatte incidentie van 1,6 vallen per bewoner per jaar. Deze hoge incidentie kan worden verklaard door het feit dat bewoners in woonzorgcentra ouder en kwetsbaarder zijn in vergelijking met thuiswonende ouderen. Valincidenten leiden tot fysieke gevolgen (b.v. hoofdletsels, heupfracturen en overlijdens), psychologische last waaronder valangst, sociale isolatie en depressie, alsook een grote stijging van de gezondheidskosten. Deze gevolgen belasten de reeds kwetsbare gezondheidszorgsystemen. Daarom zijn valincidenten één van de meest dringende gezondheidszorgproblemen in woonzorgcentra waarbij preventie onontbeerlijk is.

Het overkoepelende doel van dit doctoraat was om meer inzicht te verwerven met betrekking tot de reguliere valpreventie praktijkvoering in Vlaamse woonzorgcentra. Op basis van deze inzichten kan de toepassing van evidence-based valpreventiemaatregelen in de praktijk verbeterd worden. Enkele belangrijke hiaten werden onderzocht met betrekking tot de effectiviteit van valpreventiemaatregelen (DEEL 1), de heersende opvattingen en huidige praktijken in Vlaamse woonzorgcentra (DEEL 2) en de haalbaarheid van het implementeren van valpreventiemaatregelen (DEEL 3).

Ten eerste werden de karakteristieken en de effectiviteit van valpreventiemaatregelen in woonzorgcentra onderzocht. De multifactoriële maatregelen bestaan uit twee of meerdere interventiecomponenten die op maat van het valrisicoprofiel van elke individuele bewoner worden opgesteld. Dit is in tegenstelling tot enkelvoudige en multiple interventies, die bestaan uit één of meerdere componenten en worden aangereikt aan alle bewoners ongeacht hun individueel valrisicoprofiel. Op basis van een systematisch literatuuroverzicht en meta-analyse stelden we vast dat multifactoriële maatregelen het aantal valincidenten en het aantal herhaaldelijke vallers significant verminderden met respectievelijk 33% en 21%. Enkelvoudige en multiple maatregelen konden geen vermindering in het aantal valincidenten of het aantal (herhaaldelijke) vallers aantonen.

Bijna alle bewoners in Vlaamse woonzorgcentra hebben in zekere mate een verhoogd valrisico. Bij gevolg dient er in deze setting in principe niet gescreend te worden en heeft iedere bewoner baat bij een multifactoriële evaluatie met daaraan gekoppelde interventies. Echter, gezien de toenemende vergrijzing, de hoge werkdruk en de beperkte middelen is er nood aan een snelle en effectieve identificatie van bewoners met een hoog valrisico. Door identificatie van deze hoog risico bewoners kan een multifactoriële evaluatie en aangepaste interventies worden aangeboden aan die bewoners die er het meeste voordeel uit halen. Op deze wijze kan ook de schaarse tijd van personeel beter en gerichter ingezet worden. Daarom werd in een tweede studie de predictieve accuraatheid onderzocht van vier verschillende screeningsmethoden, namelijk de valgeschiedenis, het klinisch oordeel van de gezondheidswerkers in woonzorgcentra, de ‘Care Home Falls Screen’ (CaHFRiS) en het algoritme voor een classificatie van het valrisico.

Hierbij toonde valgeschiedenis, gevolgd door het algoritme en de CaHFRiS de beste sensitiviteit en negatieve predictieve waarde, twee belangrijke aspecten in het kader van een goede screening. Maar omwille van de beperkte predictieve waarden, kunnen geen van deze methoden aanbevolen worden om vallen te voorspellen in woonzorgcentra. Om deze reden investeren woonzorgcentra de beperkt beschikbare tijd beter in het uitvoeren van effectieve multifactoriële evaluaties en daaropvolgende interventies, eerder dan in screening.

Ten derde werd in dit doctoraat een diepgaande evaluatie uitgevoerd van het huidige beleid en de gebruikte valpreventiemaatregelen door verschillende gezondheidswerkers in 196 woonzorgcentra. Hieruit werd duidelijk dat het gebruik van een praktijkrichtlijn voor valpreventie geen gangbare praktijk is en dat de meerderheid van gezondheidswerkers in woonzorgcentra niet op de hoogte is van het bestaan van een Vlaamse praktijkrichtlijn rond val- en fractuurpreventie. Anderzijds stelden we vast dat valrisicofactoren vaak werden geëvalueerd en besproken in multidisciplinaire overlegmomenten. Verder stelt 61.9% van de gezondheidswerkers dat er een zorgplan met betrekking tot valpreventie werd ontwikkeld indien nodig. 57.4% van de gezondheidswerkers rapporteerden dat ze vaak tot altijd valpreventiemaatregelen uitvoeren indien dit nodig bleek te zijn. Hierbij voerden kinesitherapeuten significant meer valpreventiemaatregelen uit en huisartsen significant minder in vergelijking met de andere disciplines. Het aanstellen van een coördinator voor valpreventie was eerder beperkt aanwezig.

Ten vierde werd onderzocht waarom gezondheidswerkers al dan niet valpreventiemaatregelen uitvoerden zoals wordt aangeraden in praktijkrichtlijnen. Hieruit bleek dat een betere attitude ten aanzien van valpreventie, een hogere self-efficacy (de mate waarin iemand zich in staat voelt om valpreventiemaatregelen uit te voeren), een hogere score op sociale normen (de mate waarin iemand sociale druk ervaart om valpreventiemaatregelen te moeten uitvoeren, bijvoorbeeld door collega’s of het beleid van het woonzorgcentrum), minder werkervaring in woonzorgcentra en meer werkuren per week geassocieerd zijn met een hogere waarschijnlijkheid dat gezondheidswerkers effectief valpreventiemaatregelen in hun dagelijkse praktijk gebruiken.

Ten vijfde werden belemmerende en bevorderende factoren voor de implementatie van valpreventie in woonzorgcentra onderzocht. Op basis van een systematisch literatuuroverzicht werd vastgesteld dat succesvolle implementatie wordt beïnvloed door een complexe interactie van 17 bevorderende en 27 belemmerende factoren over verschillende niveaus, waarbij het sociale niveau en het organisatorische niveau het grootste aantal beïnvloedende factoren had en het economisch-politieke niveau het minste. De belangrijkste bevorderende factor was een goede communicatie zoals bijvoorbeeld een snelle en duidelijke communicatiestrategie voor aanpassingen in zorgplannen of voor informatie-uitwisseling tussen shiften en het gebruik van verschillende communicatietactieken zoals actief luisteren en feedback geven. Een tweede belangrijke bevorderende factor was de beschikbaarheid van materialen zoals de beschikbaarheid van computers, loophulpmiddelen, trainingsmateriaal of een geautomatiseerd meldingssysteem voor valincidenten. Daarentegen werden volgende belemmerende factoren het meest aangehaald: gevoelens van hulpeloosheid, frustratie en bezorgdheid over het vermogen om valpreventie uit te voeren, gevoelens van overweldiging door een overmaat aan protocollen en vormingen, een te kort aan personeel, beperkte kennis en vaardigheden en slechte communicatie.

Ten laatste evalueerde dit doctoraat de haalbaarheid van het implementeren van een praktijkrichtlijn voor valpreventie in de dagelijkse praktijk van Vlaamse woonzorgcentra. In het algemeen, werd deze richtlijn omschreven als voldoende uitgebreid, nuttig en haalbaar voor de praktijk. Sommige aspecten zoals fractuurpreventie, evaluatie van mobiliteit en orthostatische hypotensie werden als minder haalbaar gepercipieerd.

Toekomstig onderzoek zou zich best richten op het ontwikkelen van een succesvol programma om het gedrag van gezondheidswerkers met betrekking tot valpreventie te veranderen of te versterken. Dit programma omvat dan best multifactoriële valpreventiemaatregelen uitgevoerd door een multidisciplinair team dat rekening houdt met de belemmerende en bevorderende factoren voor valpreventie, aangehaald in dit doctoraat.